Ik herinner me dat ik als klein mens naar boven wees Waar ik vandaan kwam [Ergens uit die verte] Dan vertelde ik dat er rondom de hemel een soort cassetteband liep die alles opnam [Ieder mens werd gehoord en gezien] Niets ging ooit verloren of hield op te bestaan Na dit leven zouden we elkaar weerzien [We leefden immers in Cirkels van Tijd] Men lachte hard ‘Wat een fantasie, dat kind!’ Dus zweeg ik en vlocht kransen van madeliefjes [Versierde er de wereld mee] Ik stapte voort in de tijd door flarden mist omgeven En het duurde niet lang of stappen werd rennen werd vluchten [Voor de storm die áchter me woedde] Madeliefjes verdorden Toch liep ik voort wetende op weg te zijn naar de rand van de wereld [de volgende Cirkel van Tijd] Telkens als ik dacht er te zijn bleek de wereld groter te zijn geworden en cirkelde de tijd [Het stormde vóór me, naast me, overal] Was er meer van niets Minder van alles Er was niets wat bleef [Niets wat bleef] Ik wist dat jij er was door de onzichtbare afdruk die je had achtergelaten op mijn ziel Ooit, toen we samen waren [Ergens in die verte] Ik wist dat jij het was Je had een verbluffend kort moment nodig om bij me in te slaan die dag [In een flits voelde ik mezelf openscheuren] Iets van jou glipte naar binnen Het plotselinge verlangen Om onvoorstelbaar klein te willen zijn [Ik wist dat jij het bent] Toen ik in een bijna onwerkelijke stilte de twaalf woorden las die je schreef: [ik blijf écht echt zonder masker ik blijf schrijf ik en blijf] Het was 17 november 2020.